In de publiciteit verdrong afgelopen weken een handjevol gewonde en omgekomen oorlogsverslaggevers de veelvoud aan burgerslachtoffers in Syrië. Aanleiding vormde de dood van de Amerikaanse journaliste Marie Colvin in de belegerde stad Homs op 22 februari. De alom bewonderde Colvin was een warm pleitbezorgster van wat in het vak 'journalism of attachment', wordt genoemd, verslaggeving die 'deskundig én begaan' is. Ik vroeg me in een opiniestuk in NRC Handelsblad af hoe betrokken een reporter mag zijn in de Syrische burgeroorlog? En wat is zijn rol? Het antwoord luidt kort en krachtig, die van 'onafhankelijk waarnemer'.
Voorop gesteld, ik prefereer deze 'betrokken journalistiek' boven de bekendere 'embedded journalistiek'. Daarbij accepteren journalisten ongebreidelde censuur in ruil voor voedsel, transport en een veilige slaapplaats, zoals bij het Nederlandse leger in de Afghaanse provincie Uruzgan. 'Betrokken journalistiek' kent die restrictie niet, maar belemmert echter op vrijwillige basis de nieuwsgaring. De keuze voor deze vorm van getuigenisverslaggeving is begrijpelijk. Niemand neemt het graag op voor een repressief regiem. Maar het nadeel is dat wederhoor wegvalt. Terwijl de complexiteit van de Syrische burgeroorlog naar duiding snakt.
Zo zijn bij de berichtgeving over Syrië de sektarische moorden onderbelicht. Voor de grote aanval op Homs begin februari maakten deze vaak gruwelijke liquidaties, tussen met name soennieten en Alawieten, de helft uit van het aantal doden in Homs, zei een goed ingevoerde bewoner tegen mij. Ze verklaren deels de meedogenloosheid van deze oorlog en zijn een belangrijke indicatie over het verder verloop zoals we hebben gezien in de buurlanden Libanon en Irak.
Een ander punt: In Syrië steunt volgens aanhangers van het regime een groot deel van de 23 miljoen inwoners president Bashar al-Assad. Maar in de media zien we er weinig van terug. Meldingen dat ook zijn aanhangers worden gedood, aantallen tot 2.000 zijn genoemd, worden nauwelijks doorgegeven, net zo min als de smokkel van wapens en de inzet daarvan door de opstandelingen bij het begin van de opstand. Veel Nederlandse media citeren liever de mensenrechtenorganisatie Syrian Observatory for Human Rights in Londen die tegenover mij enkele weken geleden vertelde dat de burgerdoden uitsluitend worden veroorzaakt door veiligheidstroepen en criminele benden gelieerd aan het regime.
Wie de berichtgeving over de opstanden in Egypte en Libië tegen het licht houdt, ziet welke inschattingsfouten door dezelfde 'betrokken journalistiek' zijn gemaakt. Inmiddels wankelen de rechten van Koptische christenen en liberale moslims in Egypte. In Libië heeft dictator Muammar Gaddafi plaats gemaakt voor talloze plaatselijke alleenheersers die evenmin weinig op hebben met mensenrechten. Wat de toekomst verder in petto heeft is afwachten.
Is 'betrokken journalistiek' dan nergens goed voor? BBC-collega Martin Bell vindt dat deze geëngageerde verslaggeving 'een rechte lijn' trekt naar westerse militaire interventie in het geval Libië. Zelf vind ik dat te veel eer. Politici gebruiken informatie van journalisten als het in hun straatje past. Het westen wilde sowieso af van de onberekenbare Gaddafi. De 'betrokken journalistiek' in Syrië past in de geopolitieke plannen om bondgenoten van aartsvijand Iran uit te schakelen. Een Franse president Sarkozy die gewonde journalisten opwacht, oogt sympathiek, maar misbruikt hun ellende in zijn strijd tegen president Assad.
Aan 'journalism of attachment' kleeft bovendien een gevaarlijk nadeel. Door partij te kiezen, creëer je vanzelf een vijand. Het is onduidelijk of Marie Colvin haar locatie heeft verraden door gebruik te maken van een satelliettelefoon en daarmee een dodelijke artilleriebarrage afriep waarbij ook haar Franse collega Rémi Ochlik omkwam, is onduidelijk. De wijk Baba Amr werd getroffen door honderden inslagen. Het is niet nieuw dat een reporter zelf slachtoffer is van haar of zijn emotionele verslag. De moord op een vierkoppige Nederlandse filmploeg op 17 maart precies 30 jaar geleden in het Midden-Amerikaanse El Salvador vloeide voort uit de anti-junta retoriek en de directe hulpverlening aan de opstandelingen van teamleiders Koos Koster en Jan Kuiper. Reporters uit de Spaanse Burgeroorlog en Tachtigjarige Oorlog lieten hun voorkeur de vrije loop. Ook al druiste dat in tegen het zuivere doel van de journalistiek: namelijk de lezer, kijker of luisteraar vertellen wat er gebeurt en waarschuwen voor eventuele gevaren.
Dat 'betrokken journalistiek' ondanks de lessen uit het verleden anno 2012 toch in trek blijft, neigt naar populisme. Het is pleasen van de idealistische gevoelens over de 'Arabische lente': ongewapende demonstranten versus dictator. Verder speelt ook de human factor een rol. Journalisten willen graag aardig en meelevend overkomen. Deze contraproductieve eigenschap is schielijk onuitroeibaar gebleken in bijna vijf eeuwen oorlogsverslaggeving.
Zelf bepleit ik 'onafhankelijke journalistiek'- zo neutraal mogelijk berichten en een podium bieden voor partijen die in de nieuwsvoorziening ondergeschoven zijn. Dat de verslaggever zo minder vrienden maakt, moet hij of zij op de koop toenemen. Per slot van rekening hoeft niemand van oorlogsjournalisten te houden.
Het opiniestuk Oorlogsreporters in Syrië halen te weinig wederhoor stond in NRC Handelsblad van 6 maart 2012. Het was een reactie op een eerder stuk van collega Brendan O'Neill op de opiniepagina van 1 maart. De toepasselijke foto nam ik van een verlaten steeg in Damascus vorig najaar.
Kuukske schreef deze reactie
woensdag 14 maart 2012
tamso schreef deze reactie
woensdag 21 maart 2012
tamso schreef deze reactie
woensdag 21 maart 2012
Jacob Lageveen schreef deze reactie
dinsdag 12 februari 2013